Het afscheid van mijn moeder

Je ouders verliezen hoort bij de normale gang van zaken in het leven. Het wordt anders als dat op heel jonge leeftijd gebeurt.
Mijn moeder was een Brabantse afkomstig uit Drunen. Zij kwam uit een heel katholiek gezin. Haar vader had een timmerwerkplaats. Ik heb mijn grootouders, zowel die van mijn vaders- als mijn moederskant, nooit gekend en heb dat altijd als een gemis ervaren. Goed, zo was het nu eenmaal, maar ik was best wel eens jaloers op vriendjes die naar hun grootouders gingen. Mijn vader is opgegroeid in Limburg, maar in Duitsland, in Essen, geboren uit een Nederlandse vader en een Duitse moeder. Ook zijn moeder overleed heel vroeg en mijn grootvader hertrouwde, weer met een Duitse vrouw. Tijdens de eerste wereldoorlog verhuisden ze naar Munster Geleen. Zij woonden vlak bij de Maurits mijn waar mijn grootvader en later ook mijn oom heeft gewerkt. Naast het werk in de mijn had mijn opa nog een klein keuterboerderijtje van vier hectare.
Ik ben op 1 april 1947 in Vught geboren. Brabanders zullen daarom grinniken. De datum is al niet leuk als verjaardag, maar Vught stond in Brabant bekend om zijn grote “gekkenhuis”.  Ik was zeven jaar toen wij naar Dongen, in de Langstraat verhuisden. Ik heb een vier en een half jaar oudere zus, een broer die een jaar jonger is dan ik en een, inmiddels overleden zusje dat zes jaar jonger is dan ik.
Dongen was een leuk, middelgroot dorp met een 16000 inwoners  die bijna allemaal in de lederindustrie hun brood verdienden. Mijn vader werkte als afdelingschef bij de Aero schoenfabriek. Wij leefden een normaal leven zoals alle anderen in de buurt. Het was een arbeidersbuurt die net was gebouwd. Ik was een jaar of tien toen mijn moeder mij op een ochtend zei dat ik niet naar school moest, maar met haar naar de dokter. Ik was niet ziek dus ik begreep er niets van, maar ik ging opgewekt met haar op weg naar de dokter. Ik klaagde wel dat zij zo hard in mijn hand kneep. Toen kwam er ineens een opmerking die ik toen helemaal niet begreep. Wees blij dat je me nog voelt knijpen, Hans, straks heb je misschien geen moeder meer. Ik huppelde gewoon naast haar voort, niet beseffend wat zij bedoelde. In die leeftijd zie je je ouders immers als onverwoestbaar! Wij liepen vanuit de Kastanjestraat, via de Roelof van Dalemstraat, de Kardinaal van Rossum straat naar de Gasthuisstraat waar bijna aan het eind, rechts onze huisarts Dokter Heintjes praktijk had. De dokter was een statige grijzende man, altijd gekleed  in een driedelig pak met horlogeketting. Hij reed in die tijd in een grote lichtblauwe Opel Kapitein. Mijn moeder kwam duidelijk opgelucht uit de behandelkamer en wandelde met mij naar huis, waarbij ik onderweg nog een ijsje kreeg. Voor mij ging alles toen gewoon zijn dagelijkse gangetje, maar, naar ik later hoorde, voor mijn ouders niet. Mijn vader vertrouwde het niet en bezocht met mijn moeder drie specialisten, in Den Bosch, in Breda en uiteindelijk in Tilburg in het Elisabeth ziekenhuis (ik dacht dokter Weiffels). Maar alle drie de doctoren beaamden dat we ons geen zorgen hoefden te maken. Het knobbeltje in haar borst was goedaardig.

Totdat mijn moeder een jaar later pijn kreeg. Ze werd onmiddellijk opgenomen in Tilburg en geopereerd. Een borstamputatie, lymfe klieren en ook de baarmoeder en de eierstokken werden verwijderd. Ze kwam drie weken later sterk vermagerd weer thuis. Mijn vader had intussen de kwijnende schoenindustrie vaarwel gezegd en werd vertegenwoordiger bij de meubelgigant Piet Klerkx in Waalwijk. Dat verliep zo goed dat hij werd weggekocht door een meubelzaak in Vlissingen. Hij studeerde voor een meubel diploma en begon voor zich zelf als freelancevertegenwoordiger in woninginrichting. Dat ging best goed. Helaas bleek een jaar na de operatie dat de kanker bij mijn moeder terugkwam. De specialist gaf haar nog een half, maximaal een jaar. Het werden er die en een half. Het jaar na de operatie gingen we met het hele gezin op vakantie naar Duitsland; Bingen am Rhein. Dat is onze eerste en tevens laatste vakantie geweest. Mijn moeders toestand ging zienderogen achteruit. Maar ze was taai en hield vol. Wel moest ze wekelijks een tot twee maal naar het ziekenhuis, voor allerlei behandelingen. De Chemokuur bestond toen nog niet. Ze kon niet met de bus, daar was ze te zwak voor en dus bracht mijn vader haar. Maar in die tijd kon hij niet werken. Het inkomen daalde en we werden arm. Ons gezinsleven bestond eigenlijk niet meer. Alles draaide om mijn moeder. Geen vriendjes thuis, geen muziek, geen zakgeld. Er was een lichtpuntje en dat heeft mij eigenlijk door die moeilijke tijd geholpen. Ik wilde al lang heel graag een hond. Die kwam er maar niet totdat het vriendje van mijn oudste zus mij vertelde dat hij een jonge Duitse herder wist, die door een sterfgeval weg moest.. Ik herinner mij zijn naam nog, André van der Schoof, een leuke en hartelijke jongen. Ik ging onmiddellijk met hem kijken. Ik was weg van het beest en vroeg mijn vader of ik hem mocht kopen. Hij stemde aarzelend toe mits moeder het goed vond. Ik vertelde haar dat het om een heel lief jong beestje ging. Zij liet zich overhalen. Zij zette een klein kersenmandje voor het jonge beestje klaar met een dekentje er in. Ik hield wijselijk mijn mond want een negen maanden oude Duitse herder is best al groot. Ik schraapte al mijn spaargeld bij elkaar en betaalde zelf het beest. Mijn moeder schrok zich een ongeluk toen wij terugkwamen. Maar het beest liep onmiddellijk naar haar toe en legde zijn kop in haar schoot. Ma was om. Nadien was het beest altijd bij haar als ze pijn had. Hij deelde haar pijn.

 Als ik in de weekends en in de vakantie iets bijverdiende werd het verdiende geld meestal “geleend” door mijn moeder. Ik zag dat nooit meer terug. Ik sportte veel en studeerde weinig. Dus ging het ook niet zo goed met mijn studie op de HBS. Ik kon het gewoon niet opbrengen. Een dieptepunt kwam niet lang voor het overlijden van mijn moeder. Op school werden jaarlijks missie fancyfairs gehouden, waarbij geld werd ingezameld voor de missie en voor de armen. Een paar dagen voor kerst werd er gebeld. Ik deed de deur open en zag een klasgenoot voor mij staan die mij een pakket in handen duwde. Voor de stille armen! Ik heb me nooit voor onze situatie geschaamd, maar toen ging ik door de grond!
In februari 1963 overleed mijn moeder. Ze woog amper 34 kg. Bij haar overlijden stonden alle ooms en tantes om het sterfbed heen, weesgegroetjes biddend voor haar zielenheil. Voor ons, kinderen, was er geen plaats meer aan haar bed. Dat heb ik de familie erg kwalijk genomen. Toen een oom tegen mij zei, dat ik niet huilde en dus niet van mijn moeder hield, had ik de neiging hem te vermoorden. Hij heeft daarvoor overigens later wel zijn verontschuldiging aangeboden.
Nee, verdriet had ik toen niet meer. Ik was eerder blij dat al het lijden voorbij was. Ik had al lang afscheid van haar genomen en dat ook al verwerkt. Het was goed zo. Met veel moeite schraapten wij geld bij elkaar voor een grafzerk. Ik ben toen een keer gaan kijken. Daarna heb ik het graf nooit meer bezocht. Ik bewaar de mensen die ik heb liefgehad in mijn hart en het is daar een stuk warmer dan die koude aarde en een stenen grafzerk.
ik was 15 toen mijn moeder op zesenveertigjarige leeftijd stierf. Ik hield van mijn moeder. Ook van mijn vader overigens. Maar ik herinner mij alleen maar als een zwakke zieke vrouw. Ik kan me haar niet meer gezond voor de geest halen. Veel foto’s heb ik niet van haar. Veel zijn er bij een brand verloren gegaan. Nee, verdriet doet het mij niet meer. Er zijn enkel mooie en lieve herinneringen.  Ik vind het wel jammer dat zij onze kinderen niet heeft mogen meemaken. Onze achterburen, de familie Roovers, hebben veel voor mij gedaan in die tijd. Zij gaven mij een vluchthaven, als ik het thuis even niet meer volhield. Ik heb me daar altijd welkom gevoeld en ook zij hebben een warme plaats in mijn hart.