Mijn jonge jaren

Inleiding

Waarom schrijf ik dit? Ik denk dat het deel uit maakt van het ouder worden; herinneringen ophalen aan vroeger. Niet omdat vroeger beter was, maar omdat dat vroeger een essentieel deel van je leven uitmaakt. En nee, ik vind het niet gênant om iets over mijn leven te vertellen. Ik heb niet veel geheimen. Waarom zou ik? Het is allemaal al weer heel lang, vijftig jaar of meer, geleden. Bovendien is het misschien wel aardig om hieruit te destilleren in hoeverre het leven maakbaar is.
In ieder geval, hij of zij die het lezen wil, veel leesplezier.

Vught

In hoeverre is het leven maakbaar! Ik ben op 1 april 1947 geboren in Vught. Elke Brabander begint dan te grijnzen. De datum is voor een kind al niet leuk, maar Vught stond in die tijd bekend om, wat vroeger nog een gekkenhuis genoemd mocht worden. Dat werd naderhand krankzinnigengesticht, en nog later zijn er andere eufemismen voor uitgevonden; tehuis voor geestelijk gehandicapten enzovoorts. Goed, in die tijd mochten de dingen nog bij hun naam genoemd worden. 
Deze bijzonder combinatie van geboortedatum en plaats heeft me, behalve vele flauwe grappen, ook eens een voordeel opgeleverd. Ik was een jaar of vijftien toen ik in Dongen werd aangehouden omdat mijn fiets enige mankementen vertoonde. Toen ik mijn naam, geboortedatum en geboorteplaats opnoemde, zei oom agent: “Zoveel pech, rij maar door knul”!

Mijn moeder was een rasechte Brabantse afkomstig uit Drunen, waar haar vader een timmermanswerkplaats had. Ze kwam uit een heel Rooms gezin. Mijn vader is in Essen, Duitsland geboren uit een Nederlandse vader (afkomstig uit Emmen) en een Duitse moeder. Zij waren katholiek. Zijn moeder overleed op zeer jonge leeftijd en zijn vader hertrouwde, weer met een Duitse maar dit keer van Lutherse overtuiging. Omstreeks het begin van de eerste wereldoorlog verhuisde het gezin naar Munster Geleen in Limburg. Mijn opa werkte in de mijn en had ernaast een klein boerenbedrijfje vlak naast de mijn Maurits. Daar groeide mijn vader op. Uiteindelijk volgde hij de opleiding voor marconist in de koopvaardij en vertrok naar zee. Tijdens de crisis, toen de koopvaardijvloot sterk inkromp, werd hij bedrijfsleider in een schoenenzaak in Rotterdam. Daar leerde hij mijn moeder kennen die bij haar zus logeerde, die in Rotterdam woonachtig was. Mijn vader werd, om met mijn moeder te kunnen trouwen, weer katholiek.

Ik ben dus geboren in Vught, forenzendorp van Den Bosch. Wij woonden aan de Helvoirtseweg (nr. 154) in een groot (huur)huis met grote tuin in een heel rijke wijk. Naast ons het Peterhof, daarnaast “de Schans”, achter ons woonde de familie Stibbe. Ook het huis van Van Landschot stond bij ons in de buurt en schuin tegenover ons woonde de familie “De Gruyter”. Wij waren de enige niet rijken in die buurt. Niet dat dit voor mij iets uitmaakte in die tijd. Mijn vader was rijk want hij had een Kreidler brommer en een grote zwartleren jas met een zachte rode voering. Ik zie hem nog voor me. Dat had verder niemand in de buurt. 
Ik was een nogal verlegen joch, maar werd in de buurt best geaccepteerd. Zo speelde ik regelmatig met Ed Stibbe op hun speelzolder. Die was boven een grote dubbele garage gelegen en bevatte zoveel en zo duur speelgoed, dat ik er nauwelijks mee durfde te spelen. Achter het huis bevond zich een grote particuliere manege. Ed is later vele jaren military kampioen van Nederland geworden. 
Wij hadden een grote tuin met naast ons huis een rij grote kastanjebomen. Een brede oprit leidde van de weg naar de garage, waar plaats was voor wel twee auto’s maar waar toen enkel mijn vaders brommer in stond. In de achtertuin stond een aantal fruitbomen met er onder de kooien voor de konijnen. Verder graasde er in de tuin een geit. Dieren hebben altijd een grote plaats in mijn leven ingenomen. Op de leeftijd van vier jaar bracht ik elke kat die ik onderweg tegenkwam mee naar huis. 
“Deze is echt heel eenzaam mam; hij liep helemaal alleen langs de gevaarlijke weg. Mag ik hem houden?” De meeste katten vonden hun weg terug naar huis, maar er bleven er ook. Als iemand in de buurt een kat kwijt was, kwam men eerst bij ons kijken.

Ik groeide op en ging via de kleuterschool naar de lagere school. Het was de Aloyisiusschool, geleid door de broeders van onze Lieve Vrouw van Lourdes. Ik heb er fijne herinneringen aan. In de winter werden er op het schoolplein glijbanen aangelegd door er water op te sproeien. 
Ons huis was weliswaar groot, maar enkelsteens. Dat leverde in de winter nogal eens bevroren leidingen op en ik zie mijn vader nog in de kruipruimte afdalen met een kaars om de leidingen te ontdooien. Maar er werd ook geschaatst op “de Schans”. Dat was een gracht om een groot huis. Ik herinner me nog de eerste voorzichtige pasjes op het ijs. De schaatsen heetten “botjes”, en moesten met lange veters onder je schoenen worden gebonden. 
Het waren onbezorgde jaren waaraan ik met plezier terugdenk;. Mijn vader werkte eerst in een schoenfabriek de ‘Timtur” in Waalwijk en daarna bij de “Aero” in Dongen. Daarom volgde er een grote verandering in ons leven. Toen ik zeven jaar oud was, verhuisden we naar Dongen. Van een groot huis met grote tuin, naar een nieuwe huurwoning in een nieuwe wijk met een betrekkelijk kleine tuin. De geit werd geslacht en opgegeten. De konijnen waren het haasje en van de katten heb ik nooit meer iets gehoord.
Kreidler

Vught

Dongen

De lagere school

aloysiusschool

Van een groot vrijstaand huis, naar een rijtjeshuis in een nieuwe wijk in Dongen. Van de verhuizing herinner ik me enkel de reis voorin de grote verhuisauto. Een hele belevenis. Het huis was nieuw, veel kleiner dan het vorige en ook de tuin viel tegen. Maar dat went snel. Een voordeel was dat ik ook in Dongen op de Aloysiusschool terecht kwam, geleid door dezelfde congregatie als in Vught. Ik kwam in de tweede klas bij, naar ik me meen te herinneren, broeder Sylvester. Omdat we in een nieuwe wijk terechtkwamen, waar iedereen nieuw was, zocht iedereen wat onwennig naar nieuwe vriendjes. Dus nieuwe vriendschappen waren snel gesloten. Ik miste een ding; dieren. Zonder beesten om me heen was het leven leeg. Na een jaar of anderhalf kwam ik een Abonnese man tegen die zes Duitse herders had. Het was een wat zonderlinge, maar aardige man die alleen woonde met zijn honden, die achter het huis in een kennel verbleven. Hoewel mijn vader en moeder het niet echt leuk vonden (ze wantrouwden die zonderlinge man een beetje) was ik er al snel kind aan huis. Ik mocht de honden uitlaten en eten geven. Ik was in de zevende hemel, maar na een jaar was de man met zijn honden verdwenen. Zonder iets te zeggen en niemand wist te vertellen waar hij naar toe was gegaan. Ik kende niet eens zijn naam. Ik miste vooral de honden heel erg. 
Op school had ik het prima naar mijn zin. Het was natuurlijk een katholieke jongensschool. In die tijd waren de seksen nadrukkelijk gescheiden. Ik kon goed leren, was goed in sport en wist indien nodig, ook mijn vuisten te gebruiken.

Een groot deel van mijn jonge jaren speelde zich af in de schaduw van de katholieke kerk. Elke dag gingen we naar de kerk. Het kerkbezoek werd achter op het schoolbord nauwkeurig bijgehouden. Op zondag gingen we naar de vroegmis, naar de hoofdmis en daarna soms ook nog naar het Lof. Vanuit de school gingen we elke maand klassikaal biechten. Als penitentie voor onze “zonden” kregen we steevast het Onze vader en een aantal Weesgegroetjes. Je liep mee in die tredmolen en je peinsde er niet over om je er tegen te verzetten. De pastoor en de kapelaan waren heel belangrijke figuren in het dorp. Je deed communie en later plechtige communie. Je deed mee aan processies en werd misdienaar.   Kortom, je liet mee in het circus van de katholieke kerk, zoals de meesten dat deden. Toch deed zich al snel de eerste dissonant voor. Er kwam een protestantse jongetje in de klas (sommigen onder jullie weten waarschijnlijk wel om wie het gaat). Gewoon een leuk joch waarmee we het prima konden vinden, maar die niet meedeed met de godsdienstlessen. Tijdens een van die lessen vroeg ik of Wim ook naar de hemel ging, mocht hij overlijden. Het antwoord was nee; hij had geen schijn van kans! Hij ging naar het voorgeborchte (dat instituut wat tussen vagevuur en hemel lag is later door een paus afgeschaft)omdat de hemel enkel voor katholieken was. Toen ik luidkeels zei dat ik dat onrechtvaardig vond omdat hij er toch niks aan kon doen dat zijn ouders protestants waren, werd mij de mond gesnoerd. Na de les, werd ik even apart genomen, maar ik bleef stug volhouden dat het onrechtvaardig was! Later kwam de kapelaan bij ons thuis en zei tegen mijn moeder dat hij zich zorgen om mij maakte, omdat ik rebelse, zo geen ketterse ideeën had. Mijn moeder was zeer ontdaan, maar mijn vader gaf mij, tot ontsteltenis van mijn moeder, gelijk.
Ook mijn leven als misdienaar duurde maar kort. Na de mis moesten wij de knielmatjes ophangen, die door de kerkgangers vergeten waren. Dan vond je wel eens een dubbeltje. De pastoor “betrapte” mij er op dat ik die in mijn zak stopte. Die zijn voor de kerk zo zei hij en gebood mij ze aan hem te geven. Ik pakte ze uit mijn zak, smeet ze de kerk door, riep “ ga ze zelf maar oprapen” en rende de kerk uit. Einde misdienaarschap. Dit keer kwam de pastoor zelf op bezoek. Ik vertikte het om mijn verontschuldigingen aan te bieden, ook al kreeg ik een paar tikken van mijn vader. Ik verdomde het daarna om als misdienaar op te treden.

Bij een vriendje in de klas, die thuis een kippenfokkerij hadden, kocht ik voor een gulden twaalf kuikentjes. Ik was gek op die beestjes, die ik eerst opfokte in een doos met een kruik in een inbouwkast in de slaapkamer die ik met mijn jongere broer deelde. Later bouwde ik met mijn vader een kippenren. Natuurlijk werden die beesten op een gegeven moment opgegeten. Maar daar had ik geen moeite mee. De konijnen werden vroeger ook opgegeten en ik vond dat niet meer dan normaal.

In de vijfde klas beleefde ik de vervelendste tijd van mijn lagere schoolperiode. Ik zat in de klas bij broeder Peregrinus. Een kleine driftkikker, die heel erg goed kon voorlezen. Hij las ons de afleveringen van de Kanonnen van Navarone voor, een verhaal dat in de katholieke illustratie verscheen. Wij hingen aan zijn lippen. Alles ging goed tot mijn verjaardag. Mijn vader en moeder hadden, om vervelende grappen en getreiter te voorkomen, mij altijd verteld dat ik op twee april jarig was. Dat werd door alle onderwijzers begrepen; zo niet door Peregrinus. Op een april vroeg Peregrinus waarom ik geen snoep ronddeelde omdat ik toch jarig was. Nee zei ik, ik ben pas morgen jarig. Peregrinus ontkende dit waarop ik zei dat mijn vader en moeder dat toch wel beter zouden weten dan hij. Hij werd heel boos en beschuldigde mij ervan dat ik het snoepgoed zelf had opgegeten. Ik was woedend, ook omdat ik helemaal niet gek was op zoetigheid. De volgende dag heb ik het snoepgoed op het school plein uitgedeeld en niet in de klas. Ik werd, samen met Frans Becker, die ook door hem in de ban was gedaan, helemaal achter in de klas aan een lessenaar gezet. Wij hoorden er niet bij! Ik begreep dat niet. Ik had niets misdaan. Ik vond het dan ook verschrikkelijk om apart gezet te worden en Peregrinus liet geen gelegenheid ongebruikt om ons belachelijk te maken. Op een dag kregen wij opdracht een brief aan zijn moeder te schrijven die jarig was. In die brief stortte ik mijn hart uit en vroeg zijn moeder om haar zoon te vragen bij gewoon te behandelen. Het was een noodkreet van een elfjarig joch. Een joch dat door die broeder wederom belachelijk werd gemaakt door die brief in de klas voor te lezen. Ik heb deze man sindsdien gehaat, zoals alleen een kind haten kan!
Het duurde gelukkig maar een paar maanden. In de zesde klas, geleid door broeder directeur Eusebius (?), kwam ik van de hel in de hemel terecht. Omdat ik de beste van de klas was, mocht ik, samen met nog een ander kind, de kamer van de directeur schoonmaken en boenen en de grote christusdoorn water geven. Dat was een hele eer, en gaf bovendien toegang tot de zolder, waar een heleboel stripboeken lagen. Een waar eldorado voor ons.
Na schooltijd hadden wij eens per week Franse les. Daar profiteer ik nog steeds van. We deden toelatingsexamen voor de HBS. Ik had één negen; de rest waren tienen en ik ging als best geteste naar de HBS.
Ik heb, op die periode met Peregrinus na, een heel fijne tijd gehad op de lagere school. De broeders hadden heel veel tijd voor ons. Broeder Fernatius (?) onderwijzer in de derde klas, was een voetbalfanaat en rekruteerde iedereen om in Concordia te voetballen. In de vierde klas hadden we een meester: de enige leek in die tijd. Een aardige man, ik dacht dat hij Labo heette of zo iets. Het was wel een kettingroker, maar dat was in die tijd heel gewoon.

Ik ben altijd een groot lezer gewest. Ik ben in Dongen altijd lid van de bibliotheek geweest en zes boeken per week waren voor mij heel normaal. Ik lees nog steeds erg veel.

Intussen werd mijn moeder ziek: borstkanker. Ik was twaalf toen mij werd verteld dat ze maar kort meer te leven had. Het werden drie en een half jaar.

De HBS

JFKennedyHBS

De HBS was gevestigd in twee oude gebouwen. Het voornaamste deel bevond zich in een heel oud gebouw, ik dacht een voormalig ouden van dagen huis, vlak naast de Laurentius kerk (een koepelkerk gebouwd door Kuijpers). Er was ook een dependance dat in de bocht van de Gasthuisstraat lag. Daar bracht ik de eerste twee jaar van mijn HBS tijd door. Daarna gingen we naar het hoofdgebouw. Die eerste twee jaar verliepen zonder problemen. Het eerste jaar bij een negen gemiddeld, het tweede jaar een zeven en een half, en in de derde klas bleef ik zitten!

Mijn moeder werd steeds zieker en moest heel regelmatig naar het ziekenhuis in Tilburg. In het begin drong de ernst van de situatie niet zo tot me door. Als je twaalf bent denk je niet aan de dood; je ouders blijven eeuwig leven. Later zag ik steeds meer het lijden en de pijn. 
Toen ik dertien was, vertelde de toenmalige vriend van mijn oudste zus mij, dat hij een jonge Duitse herder te koop wist voor maar 45 gulden. Zonder mijn moeder iets te vertellen gingen wij kijken. Ik was helemaal weg van het beest en ook het beest zocht mij onmiddellijk op. Ik vertelde het eerst voorzichtig aan mijn vader en die zei dat het mocht als mijn moeder ook akkoord ging. Ik ging met lood in mijn schoenen naar mijn moeder, die onmiddellijk nee zei. Ik zei dat om een nog jong beest van negen maanden ging en dat ik het zelf zou betalen. Uiteindelijk stemde moeder, die heel goed wist hoe gek ik met dieren was, toe. Ze zocht een klein mandje op met een oud stuk van een deken waar het “hondje”in zou kunnen slapen. Ik hield wijselijk mijn mond. Toen ik de dag daarna met het negen maanden oude beest thuis kwam, verschoot mijn moeder haast van kleur. Een negen maanden oude herder is best een groot beest. Anouchka, zo heette de hond, liep gelijk naar mijn moeder toe en legde zijn kop op haar schoot. Mijn moeder was om. 
Sindsdien maakte Anouchka deel uit van ons gezin. Ik was zijn baas en zorgde voor hem, maar met mijn moeder had hij een heel speciale band. Als ze pijn had, zat hij naast haar en was niet van haar weg te slaan. Uiteindelijk was zij heel blij met hem.

Ik studeerde niet meer. Ik kon het gewoon niet opbrengen. Dat lag niet alleen aan het ziekbed van mijn moeder. Ik puberde en kon mij met geen mogelijkheid op de studieboeken concentreren. Na een tijdje te hebben zitten mijmeren boven mijn boeken ging ik wandelen met de hond of een potje voetballen met vrienden. Vele honderden kilometers heb ik met Anouchka afgelegd, al wandelend of hardlopend. Ook het tweede jaar in de derde klas deed ik niets, maar ging wel over met bijna een acht gemiddeld. Vanwege de ziekte van mijn moeder was het niet mogelijk om thuis vriendjes uit te nodigen.

Mijn vader zei de schoenindustrie, die tanende was, al vroeg gedag. Ik herinner me de precieze datum niet meer, maar het moet ergens in 1960/1961 zijn geweest. Hij ging werken als vertegenwoordiger bij een grote meubelwinkel in Waalwijk. Dat ging hem zo goed af dat hij er werd weggekocht door een bedrijf in Vlissingen. Dat bracht hem er toe voor zich zelf te beginnen. Hij behaalde zijn diploma’s voor de meubelbranche en schreef zich in bij de kamer van koophandel. Dat ging een poos heel goed, maar het ziekbed van mijn moeder eiste steeds meer tijd en energie op. De zaak verslofte en wij werden arm. Ik kan me niet herinneren ooit zakgeld te hebben gekregen. Niet dat wij ooit honger hebben geleden. Kleding had ik nauwelijks. Als ik iets wilde hebben moest ik er voor werken. Op de HBS werden in die tijd missie fancy fairs gehouden. Een soort inpandige kermis waar geld werd opgehaald voor de missie en voor de armen. Op een dag voor Kerst stond een jongen van onze school bij ons voor de deur: hij bracht een voedselpakket voor de stille armen. Ik schaamde me rot.

Mijn contacten met meisjes verliepen moeizaam. Ik was wat verlegen met meisjes en het feit dat je geen cent te makken had hielp natuurlijk ook niet. Toch had ik zo nu en dan wel eens een vriendinnetje. Maar meestal bleef het bij; “ik heb stiekem met je gedanst……”.

Mijn moeder was een heel lieve vrouw, maar o zo katholiek. Net als haar hele familie overigens. Ik zette me steeds meer af tegen het geloof. Dit tot grote ergernis van de godsdienstleraren. Ik voerde felle discussies met vooral godsdienstleraar Boon (of Boonman of zoiets). Het was een heel grote kerel met kolenschoppen van handen, die ook nogal los zaten. Ik was nogal Bijbelvast en wist hem regelmatig op foutjes te betrappen in zijn redenatie. Ik zat ook altijd vol vragen waarop hij geen antwoord had. Dat frustreerde hem behoorlijk. Ik verweet de kerk dat ze niet met haar tijd meeging en dat ze misdrijven van priesters met de mantel der liefde bedekte. Toen ik hem confronteerde met het misbruik van een neef van mij door een kapelaan en dat die daarna gewoon zonder straf was overgeplaatst, kreeg ik een paar klappen voor mijn kop. Hij had er daarna wel spijt van, maar toch! 
Ook in de familie van mijn moeder werd het optreden van die kapelaan vergoelijkt. Ik was daar woest over. Haar zusters (overigens best lieve mensen) kwamen regelmatig bij ons om met mijn moeder te bidden. Ik verafschuwde dat en zei dat ook duidelijk. Dat dreef een wig tussen mij en de familie van mijn moeder.

Ook het eerste jaar in de vierde klas verliep moeizaam. Mijn moeder stierf in 1963. Ze woog nog maar 32 kg. Ik herinner me die dag (16 februari) nog als de dag van gisteren. Alle tantes biddend om haar heen gegroepeerd. Voor ons was er geen plaats. Dat heb ik ze nooit vergeven. Het overlijden van mijn moeder was eigenlijk een opluchting na al die jaren van lijden.

Het tweede jaar in de vierde klas kreeg ik weer wat meer aandacht voor de studie. Ik werd hoofdredacteur van het “Krabbeltje” de schoolkrant. Pierre Veuger werd redacteur. We zaten met de HBS inmiddels in een nieuw gebouw, samen met de MMS. Dat was pas een vooruitgang! Maar de MMS en de HBS waren zeer streng gescheiden en als de meisjes naar een gedeeld lokaal moesten (schei- natuurkunde en biologie meen ik me te herinneren) gebeurde dat onder streng toezicht van de nonnen die de MMS leidden. Ik ging gedurende het weekend en soms ook op doordeweekse avonden werken aan de benzinepomp van garage Kooijman. Ik kon dus ook wel eens langs bij tante Mien (het stamcafé voor studenten).
Bij de schoolkrant kwam mijn rebelse karakter weer eens naar voren. De HBS kreeg de naam J.F. Kennedey HBS en ik vond het dus tijd om de tegenpartij, de Sovjet unie, ook wat ruimte te geven in het “Krabbeltje”. Ik zocht in de bibliotheek boeken over de USSR en kreeg ook informatie van de Sovjet ambassade in Den Haag. Omdat ik wist dat de schoolleiding hiervan niet gediend zou zijn, moest alles buiten hun om gebeuren. Ik schreef overigens niet over politiek, enkel over de staatsinrichting en over de stand van de techniek. Ineke Zwaans , de secretaresse van de school zat noodzakelijkerwijs in het complot en ook de conciërge deed mee. De krant moest per slot van rekening op een stencilmachine worden afgedrukt. Ineke was een schat van een meid die haar baan op de tocht zette door ons te helpen. Ze vond het prachtig dat ik het aandurfde tegen de schooldirectie in te gaan. 
De dag dat de krant uitkwam herinner ik me nog goed. Ik werd onmiddellijk bij de directeur ontboden. Normaliter bemoeide hij zich nauwelijks met de schoolkrant. Waarom ik hem niet van te voren had ingelicht, zo vroeg hij me. Dan was de krant nooit gepubliceerd, was het antwoord. Daar had hij geen repliek op. Uiteindelijk liep het met een sisser af. Hij waardeerde het dat ik het communisme niet had opgehemeld en enkel over de technische kant van zaken in de USSR had geschreven.
De studieresultaten verbeterden aanzienlijk. Ik kreeg er weer aardigheid in. Ik ging dan ook met goede cijfers over naar de examenklas. Toen kwam de domper. Mijn vader zei dat hij geen geld meer had voor mijn studie en dat ik er mee moest stoppen. Ik moest gaan werken. Daar was ik het niet mee eens en zei dat ik dan mijn studie wel zelf zou financieren. Het was echter te laat voor de HBS. Ik vroeg daarom een renteloze studielening aan bij het Noord Brabants Studiefonds voor een studie aan de Hogere zeevaartschool in Vlissingen. Die werd toegekend, maar te laat voor dat jaar.
Die zomervakantie ging ik, samen met Pierre Veuger, op de fiets naar Engeland. Een gedenkwaardige vakantie, waaraan ik ook nog een verkering overhield met en meisje in Southend on Sea.

De Holland Amerika Lijn

Omdat ik een jaar “over” had monsterde ik aan op het ss. Nieuw Amsterdam, een passagiersschip van de Holland Amerika Lijn. Sommigen zagen dat als een verloren jaar, maar dat was het in mijn ogen beslist niet. Als achttienjarige werd ik, vanuit het beschermde Brabant, op een schip geplaatst. Passagiersschepen waren in die tijd het Sodom en Gomorra van de zeevaart. En ik moet toegeven, er gebeurde ook wel het een en ander op dat schip.
Ik monsterde aan voor de civiele dienst aan boord. De civiele dienst was de dienst die de passagiers verzorgde. Ik begon als “page boy”. Daarvoor kreeg je een groen apenpak aangemeten en moest je telegrammen en andere berichten overbrengen van de purser naar de passagiers. Ik viel op omdat ik behoorlijk Engels, Frans en Duits sprak. Daarna werd ik al snel “lift boy”. De liften in het schip werden met de hand bediend. Daarna “dek boy”, “cabin boy” en “commis de service”. Van loopjongen tot kelner in het restaurant; een hele carrière in nog geen jaar tijd.

Het leven aan boord was heel anders dan dat wat ik tot dan toe had geleid. We sliepen met acht jongens in een hut onder de waterlijn. Het was daar een mannengemeenschap. De meisjes sliepen in het achterschip boven de schroeven. Op zich was het niet oncomfortabel. De ruimte was heel beperkt, maar ik had ook niet veel om mee te nemen. De gage was heel laag Hfl 180,00 per maand. We stonden op “tip” gage. Dat hield in dat het hoofdbestanddeel van je inkomen werd geacht van fooien te komen. 
Ik leerde er veel en heel snel. Zo waren er aan boord in de civiele dienst heel veel homoseksuelen werkzaam. Dat was een voor mij onbekend verschijnsel. Daar werd in het katholieke Brabant nooit over gesproken. Na een wat onwennig begin kon ik goed met deze mensen opschieten. Ze konden zich wat eigenaardig “nichterig” gedragen, maar als je daar eenmaal aan gewend was en er doorheen keek waren het meestal heel aardige kerels. 
Wat ik ook leerde was dat het door superieuren niet op prijs werd gesteld als je liet blijken dat je een hogere opleiding had dan zij. Ik leerde het Engels te verhaspelen als zij in de buurt waren. De passagiers keken daar wel eens raar van op, maar als ik het uitlegde begrepen ze dat al heel snel. Op een schip bloeien al snel buitenechtelijke relaties op onder de passagiers en als je je discreet wist te gedragen werd dat beloond met hoge fooien. Vooral als “cabin boy”, waarbij je de hutten steward hielp bij het onderhouden van de passagiersaccommodatie en drank en eten rondbracht, was dat best winstgevend. De heen- en terugreis van Rotterdam naar New York was wat wij een studentenreis noemden. Er waren veel jonge mensen aan boord, ondergebracht in de goedkoopste accommodatie, die een reis naar Amerika wilden maken. In die tijd was reizen per schip nog goedkoper dan per vliegtuig. Een hele uit en thuisreis duurde vijf maanden. De heen- en terugreis duurde ongeveer twee weken. Tussen die reizen werden cruises gemaakt naar de Caraïben en midden en zuid Amerika. De Nieuw Amsterdam had achthonderd man als equipage aan boord. Tijdens de heen- en terug reis hadden we tot maximaal dertienhonderd passagiers en op cruises een achthonderd. 
En dan sta je dan als jonge kerel in New York. Ik had er een paar penfriends en ik had mijn aankomst al aangemeld. Met die twee meiden heb ik New York leren kennen en erg veel plezier gehad. Ik begon langzaamaan uit mijn schulp te kruipen. 
Het was natuurlijk ook leuk passagieren in New York, Baltimore, de eilanden en steden die we elders aandeden. Ook de verdiensten waren heel behoorlijk. Er waren maanden dat ik 250 US dollar aan fooi kreeg en de dollar stond in die tijd op Hfl 3,65. Omdat de accommodatie en eten en drinken gratis waren, was het leven aan boord goedkoop. Je kon een plateau bier kopen (24 glazen) voor één US dollar. Dat was dus flink stappen geblazen. Ik herinner me nog goed dat we regelmatig St. Thomas in de Virgin Islands aandeden. Ging je daar naar het strand dan verdrongen de jochies van een jaar of tien tot twaalf zich om je heen voor het verlenen van allerlei hand en spandiensten, zoals het ophalen van drankjes en eten, regelen van strandstoelen, taxi’s en dergelijke. We huurden met zij tweetjes zo’n joch in en gaven hem tien dollar de man per dag. Het joch wist niet wat hem overkwam want dat was een fortuin voor hem. Bovendien zorgden we voor gratis eten en drinken en kochten we zo af en toe een cadeau voor hem. Elke keer als we aankwamen, stond dat zelfde joch ons op te wachten. Ik denk dat we er een keer of tien zijn geweest.
Ik denk met veel plezier terug aan die tijd. Ik leerde er dat onrechtvaardig behandeld worden (daar heb ik altijd slecht tegen gekund)hoorde bij de harde leerschool van het leven en dat het soms beter is te slikken dan je te verzetten. Er zijn altijd mensen die er plezier in hebben anderen te sarren of, vanuit een machtspositie, onrechtvaardig te behandelen. Ik werd snel een stukje volwassener. 
maar ik ging ook met het vliegtuig naar Detroit en Chicago. Ik verkende Caracas, Baltimore, Philadelphia en New Orleans.

Tussen de twee reizen in ging ik naar mijn vriendin in Southend on Sea. Een leuke meid waaraan ik dierbare herinneringen heb.

Ik heb zo twee reizen gemaakt en monsterde in juli 1965 af. Ik had net genoeg geld overgehouden voor het behalen van mijn rijbewijs.

afbeelding002

nIEUW AMSTERDAN2

De Hogere Zeevaartschool te Vlissingen

zeevaartschool 2D166CADB329759CC1257B34004892B9 12

Dat was wel weer even wenen. Van de betrekkelijke vrijheid aan boord, naar de strenge discipline van de school en vooral het internaat. We kregen een uniform aangemeten en een huis toegewezen. Het internaat bestond uit een aantal rijtjeshuizen gegroepeerd rondom een bestraatte ruimte waar elke ochtend appel werd gehouden, en later een sporthal. De huizen waren Spartaans ingericht. Er was alleen beneden centrale verwarming. We sliepen met acht jongens in drie slaapkamers. De leiding van een huis berustte bij een “huisoudste” een ouderejaars die goede studieresultaten had behaald. De studie bedroeg twee of drie jaar al naar gelang je vooropleiding. Werd je ouderejaars dan kreeg je een gouden ster op je mouw. Werd je ook huisoudste dan kreeg je er twee. De orde werd heel streng gehandhaafd door gepensioneerde onderofficieren van de marine. Dit internaat was eigenlijk veel strenger dan het KIM (Koninklijk Instituut voor de Marine).

Op de school, gelegen aan de boulevard in Vlissingen, had ik het erg naar mijn zin. We hadden goede en enthousiaste leraren en ik dat echt weer zin in de studie en werkte hard. Daardoor kreeg ik na een paar maanden een studiebeurs aangeboden van SHELL Tankers. Het renteloos voorschot van het Noord Brabants studiefonds werd gebruikt voor de studie van mijn jongste zus , die op de MMS zat. Ik moest die later natuurlijk wel terugbetalen.

Ik ging op dansles bij dansschool “De Jong” in Vlissingen. Daar leerde ik Dinie kennen. Dat is overigens het enige wat ik van de danslessen heb overgehouden. Voor dansen bleek ik geen aanleg te hebben. Ik kon bij wijze van spreken zonder probleem een wals dansen op foxtrot muziek. Het ontbrak mij gewoon aan gevoel voor ritme. Ik vond het jammer, want dansen was best leuk.

 Internaat   Valreep

Waar ik de school heel leuk vond, was het internaat een ramp. Het was er overdreven streng en voor het minste of geringste stond je op rapport en werd je gestraft. Tijdens het eerste jaar werd de sporthal gebouwd. Ik heb behoorlijk meegewerkt aan het uitgraven van de funderingen. 
Elke ochtend werd er appel gehouden. Daarna ontbijt en het huis schoonmaken. Elke dag kwam er een bootsman langs om het huis te inspecteren. We kregen dan een inspectierapport en was dat niet voldoende dan kreeg je straf! Ook de haardracht werd streng gecontroleerd en vond men het te lang dan werd je naar de schoolkapper gestuurd (Kupertje) en die knipte heel kort. En dat in de tijd dat lang haar in de mode was. Je had vaste tijden voor studie en ook daarop werd streng toezicht gehouden. Gedurende het eerste jaar hadden we ook op zaterdagmorgen school. Daarna was het middageten en schoonmaken. Daarna mocht je passagieren, maar je moest wel om twaalf uur binnen zijn. Ook op zondag had je studie uren en daarna mocht je “de wal” op tot elf uur. Behaalde je slechte studieresultaten, dan kreeg je extra studie uren opgelegd. Waren je resultaten beter dan gemiddeld dan kreeg je wat extra vrije uren. Eens in de vier weken mocht je naar huis. Van zaterdagmiddag 13.00 tot zondagavond 23.00. Het passagieren moest in uniform. Daartoe werd op een gegeven moment voor iedereen een passagier uniform uitgereikt. Een roodbruine blazer met grijze broek. Ik kreeg vaste verkering met Dinie. Dat ging overigens niet vanzelf;” L’histoire se repète”. Haar ouders waren streng protestant en haar vader was ouderling. Ik mocht enkel met Dinie omgaan als ik catechisatie deed en protestant werd. Je moet er wat voor over hebben, maar we zijn nu, als ik dit schrijf, bijna 46 jaar getrouwd en erg gelukkig samen. Het was dus de moeite waard. Mijn schoonouders waren overigens erg lieve en hartelijke mensen waaraan ik heel goede herinneringen heb. Maar is het toeval? Mijn vader van protestant naar katholiek en ik dertig jaar later het omgekeerde.

Mijn schoonouders woonden in Oost Souburg vlak bij de straat waar de directeur van het internaat woonde. Ik had burgerkleding bij haar ouders hangen, maar moest erg voorzichtig zijn hem niet tegen het lijf te lopen. Want, zoals al eerder gezegd, het internaat was streng. Kwam je ’s-avonds te laat binnen, dan zat je het volgende weekend geheid vast.

Op de Nieuw Amsterdam was ik een echtpaar tegen gekomen dat in Vlissingen woonde. Hij was een gepensioneerde loods. Zij gaven mij hun adres en drukten mij op het hart hen te bezoeken als ik op de zeevaartschool zat. Na een maand trok ik de stoute schoenen aan en belde bij hun aan. Sindsdien was ik er kind aan huis. Hartelijker mensen heb ik zelden ontmoet. Hij kon prachtige verhalen vertellen en zij was een wandelend geschiedenisboek voor Zeeuws Vlaanderen. Hij was voor zijn loopbaan als loods visserman geweest en kon visbakken als de beste. Dat visbakken mocht natuurlijk niet in huis. Achter in de tuin stond een schuur waarin hij een spiritusbrander had staan: bovenop een koelkast met bier! Ik heb nooit geweten dat je dronken kon worden van visbakken! 
Ik heb altijd contact met ze gehouden. Hij overleed in 1972 aan kanker. Zij overleed, ik dacht in 1994 in het bejaardenhuis in Breskens. Een paar dagen voor haar overlijden heb ik haar nog opgezocht. Ik moest voor een vergadering naar Oostende en ben er op de terugweg, in uniform, langsgegaan. Ik hoor haar nog zeggen: “Hans, ik ben zo groos op je” in haar sappige dialect. Ik werd aan iedereen voorgesteld. Men kende mij al lang, want wij kwamen er regelmatig, maar natuurlijk altijd in burger. 
Ik denk nog dikwijls aan deze mensen.

Ik ging met heel goede cijfers over naar de tweede klas en studeerde in 1968 af als bevoegd stuurman grote handelsvaart. Vlak voordat ik naar zee vertrok vierden Dinie en ik onze verloving. Zo ging dat nu eenmaal in die tijd.

SHELL TANKERS

Mijn eerste reis als leerling stuurman duurde ruim 13 maanden. Dat waren nog eens reizen! We voeren die reis voornamelijk op de Kalydon en op het lmatst op de Kara; twee Shell tankers uit de K klasse van 18.000 ton. Ook op die reis kwam ik weer iemand tegen (eerste stuurman) die een hekel had aan mensen met een betere vooropleiding. Hij kwam van de “koude grond”. Dat is een matroos die via verkorte opleidingen stuurman is geworden. Niets mis mee natuurlijk en een prestatie om trots op te zijn. Maar op een of andere manier had de man een minderwaardigheidscomplex die hij graag op leerlingen botvierde. Ik probeerde zo weinig mogelijk op te vallen, maar een schip heeft duidelijke grenzen en je kunt elkaar niet echt ontlopen. Als ik hem tegenkwam had hij altijd een rotkarwei voor mij in petto. Zo liet hij mij bij windkracht negen de voorpiek schilderen en alle riemen van de reddingssloepen met een glasscherf af schrapen. Ook stond ik urenlang sludge emmertjes (emmers met bezinksel uit de ladingtanks) naar boven halen totdat mijn vingers krom stonden van ellende. Gelukkig hadden de andere officieren hem wel door en namen mij enigszins in bescherming. 
Ik hield een cijferboek en een memoriaal bij. Als je dat deed kon je op een snelle manier je derde rang halen. Maar daarvoor moest je wel elke dag een sters- en een zonsbestek nemen en een uur werken aan vragen over het schip. Zo moest je driedimensionale tekeningen maken van diverse scheepsverbanden, van het laadgerei, van de machinekamer, van de stuurmachine, enzovoorts. Je was er gemiddeld toch ruim een uur per dag aan kwijt. Omdat je al acht uur per dag wacht liep, was je alleen aan deze werkzaamheden al ruim tien uur per dag kwijt. Daarnaast moest je ook allerlei karweitjes aan dek uitvoeren. Je maakte dus een tachtig uren per week en dat dertien maanden lang zonder ook maar een vrije dag.
Toch heb ik op die reis ook veel plezier gehad en veel geleerd. Na zeven maanden werd de bemanning, met uitzondering van de leerling stuurman en machinist, afgelost. Daarna werd het leven wat gemakkelijker. Ik heb gedurende die reis bijna vier maanden op Vietnam gevaren. We zijn daar drie keer beschoten. Toch een merkwaardige ervaring om gekleed in kort wit met helm, kogelvrij vest en zakbeschermer op de brug te staan. We voeren die reis via zuid Afrika en de Perzische Golf naar India (Bombay, Madras, Calcutta) daarna naar Singapore en van daaruit naar Vietnam. We deden Hongkong , Bangkok en Borneo aan om daarna via Ceylon, Durban en Kaapstad naar Curaçao te varen. Daarna New York, Baton Rouge en weer terug via diverse eilanden in de Caribische zee. Maar ook deden we Punta Cardon (Venezuela) aan en voeren via het Panama kanaal naar Rosario in Mexico, en langs de oostkust naar Anchorage in Alaska. Weer terug naar Curaçao om daar twee weken in een hotel op een ander schip te wachten en vervolgens via Aruba naar Thameshaven en Rotterdam. 
06ss Kopionella

Daarna een maand verlof waarin ik mijn derde rang haalde om daarna aan te monsteren op de Neverita, een tanker van 120.000 ton. Dat was weer een heel andere ervaring. Een groot en luxueus schip waarin ik als vierde stuurman een ruime zithut met stereo installatie, een tweepersoons slaaphut en een eigen badkamer had. Ook de brug was modern toegerust met twee radars ( 3 en 10 cm) waarvan een true-motion met fotoplot. Op de heenreis kwamen we de Marpessa, een 220.000 tons onder Nederlandse vlag varende tanker tegen, die een dag later tot zinken zou komen. De zoon van de kapitein van de Neverita, zou mij vele jaren later op Hr. Ms. Mercuur aflossen als commandant..
Met de Neverita voeren wij naar Kaapstad waar wij werden bevoorraad met behulp van een helikopter. Dat was weer een nieuwe ervaring. Dan door naar de Pezische Golf (Mena al Achmadi in Koeweit), daarna terug naar de Middellandse zee en vandaar naar Rotterdam.
Daarna een paar maanden de Sepia, een tanker van 70.000 ton.
In die tijd kreeg ik bericht dat ik vrijwillig verplicht was uitverkoren om als reserve officier te dienen bij de Koninklijke Marine. In die tijd ware, mensen die bij de koopvaardij voeren vrijgesteld van militaire dienstplicht mits ze tot hun 27e bleven varen. Maar de marine had een overeenkomst met de koopvaardij voor het leveren van een bepaald aantal reserve officieren. De keuring was vrij streng en veel koopvaardijmensen kwamen er niet door. Dus werd je min of meer door de maatschappij aangewezen. Vandaar mijn term verplicht vrijwillig.
We lagen met de Sepia in dok in Marseille. Vanwege een poging tot inbraak op het schip had de kapitein alle cash bij een lokale bank ondergebracht. Op de ochtend waarop we zouden opdrijve, het was Koninginnedag 30 april 1970, liep ik de vier – acht wacht aan dek. Dat hield allerlei werkzaamheden in ter voorbereiding van het opdrijven. Omstreeks zes uur kreeg ik bericht me bij de kapitein te melden. Ik werd overgeplaatst naar het ss. Kopionella dat twee dagen later in Thameshaven zou afmeren. Mijn vliegtuig vertrok over een goed uur. Koffers gepakt, met de agent naar het vliegtuig. In Frankrijk was weer eens een staking door luchthavenpersoneel. De banken waren nog niet open dus ik vertrok met een paar dubbeltjes op zak met AIR INTER naar Orly in Parijs, alwaar ik met FINAIR verder zou vliegen naar Schiphol. Vanwege de staking bleef het vliegtuig uren rondjes om Parijs vliegen. Aan boord was niets te eten en ik had sinds de vorige avond niks meer in mijn maag. Tegen drie uur landden we op Orly. Ik naar een bank, kijken of ik wat geld kon krijgen. Jammer, staking, alles dicht! Na twee uur vertrok ik met FINAIR. Ik vertelde mijn verhaal aan de stewardess die begreep dat ik zo langzamerhand verrekte van de honger. Zij sopte mij vol met allerlei kleine hapjes. Daarna landen op Schiphol: Koninginnedag dus alles dicht. Er waren in die tijd nog geen pinautomaten. De walkapitein van de SHELL gebeld, maar die was aan boord van een schip en kon mij niet helpen. Het kantoor was verder onbemand. Uiteindelijk kon ik op persoonlijke titel van een KLM functionaris tweehonderd gulden lenen. Ik ben in een taxi gestapt en naar Dongen gereden. SHELL heeft mij de kostenwel terugbetaald. De dag er op met de BUAF van Rotterdam naar Southend on sea en vandaar met de agent naar Thameshaven, waar ik aan boord kon aanmonsteren. Aanmonsteren is bij de koopvaardij een verplichte procedure die ook in het “monsterboekje” wordt genoteerd.
Met de Kopionella voer ik naar Duitsland, Zweden en Denemarken. Best een leuke tijd. Half augustus monsterde ik af in Rotterdam.

En toen?

Dinie en ik trouwden op 9 september 1970 en op 29 september trad ik in dienst bij de marine. Het KIM was geen tijd waar ik met veel plezier op terugkijk. Het was er een kinderachtig zootje, waar je heel veel onnuttige dingen moest leren die een doublure waren van wat je al lang wist. Daarna stapte ik aan boord van de Balder, een patrouille boot. Het varen en werken bij de marine beviel me zo goed dat ik besloot bij te tekenen: eerst als Officier met kort verband, daarna als officier SD Z.
Om dat te kunnen doen kreeg ik in 1974 een paar maanden een walplaatsing bij de Marine kazerne Vlissingen. In april 1974 behaalde ik mijn HBS-B diploma door deel te nemen aan het allerlaatste staatsexamen HBS. Ik volgde een groot aantal interne KM opleidingen die vooral te maken hadden met mijn subspecialisatie Mijnenbestrijding (nautisch officier was de hoofdspecialisatie). Van 1987 tot 1989 deed ik een dertiental examens bij het Koninklijk Instituut bij de Marine (KIM) om in 1989 te beginnen met mijn wetenschappelijke opleiding. 
In april 1990 studeerde ik op drie en veertig jarige leeftijd af op het gebied van Internationale Vredes- en Veiligheidsvraagstukken bij Professor Dr. Dr. G. Teitler. Ik studeerde met een groep jongens en meisjes in de leeftijd van 22 tot 25 jaar. Ik had hun vader kunnen zijn, maar heb er een heel plezierige tijd gehad en vond het een voorrecht op deze leeftijd af te kunnen studeren.

Conclusies

Is het leven maakbaar? Ik denk dat dit voor iedereen anders ligt. Je hebt geen invloed op waar je geboren wordt, bij welke ouders en in welke omstandigheden. Je hebt niets te zeggen over ziekte en dood, rijdom of armoede. De een wordt met een hoge intelligentie, de ander met weinig intelligentie geboren. Veel hangt er ook van het toeval af. Wie ontmoet je en wanneer.
Voor kinderen van rijke ouders is het leven maakbaarder dan voor dat voor kinderen van arme ouders. Ik heb mannen gekend die tien jaar over hun HBS hebben gedaan en vervolgens tien jaar over een rechtenstudie. Dat kan niet iedereen zich veroorloven. 
Toch kun je zelf ook heel wat invloed uitoefenen. 
Ik ben wat je gerust een laatbloeier mag noemen. Daar waren wel wat oorzaken voor, maar ik kan het ziekbed van mijn moeder en onze armoede niet alleen aanwijzen als oorzaak voor mijn gebrek aan motivatie om te studeren. Je hebt nu eenmaal een bepaald karakter en bij de een vormt zich dat wat later dan bij de ander. Ik ben dus laat aan echt studeren begonnen. Maar ik ben daar ook heel lang mee door gegaan. Ik heb elke gelegenheid om iets te leren aangegrepen. Dat was niet altijd gemakkelijk. De accommodatie op een oorlogsschip biedt je niet veel privacy om te studeren. Ik heb het toch gedaan en ook volgehouden. En eigenlijk, was het best leuk. Ik heb steeds met heel veel plezier gestudeerd. Waar sommigen van mijn collega’s alleen maar klaagden over het KIM heb ik er met veel plezier gestudeerd. Ook mijn studie voor het HBS-B diploma was best leuk. Met een beetje leren begon ik bijvoorbeeld scheikunde ook leuk te vinden. Zeker, ik was de oudste student (ook de bestbetaalde student van Nederland overigens)op het KIM, maar voelde me prima op mijn gemak tussen mijn veel jongere studiegenoten. Samen met Manuela Wibier in een studiehok op het klooster (gebouw van het KIM). We hebben er hard gewerkt, maar ook heel wat gelachen. De dames hadden het, zeker in het begin, niet gemakkelijk in de macho cultuur van het KIM.

Dinie heeft mij altijd gesteund en was trots op me. Dat is ook heel belangrijk geweest. Ik was best wel eens sikkeneurig als ik tot middernacht had zitten leren. Die steun was mij goud waard.
Ik ben menselijk en ik best trots op wat ik heb bereikt. Aan de andere kant was het nu ook weer niet een heel grote prestatie. Ik heb altijd gedaan wat ik leuk vond; of het nu sporten, studeren of varen was.

Maar, uiteindelijk moet je het zelf doen! En het kan als je het werkelijk wilt! Je moet de kansen aangrijpen als ze zich voordoen en vooral je hart volgen. Een job leren alleen vanwege het geld zal je nooit gelukkig maken. En je werk gaat zo'n belangrijk deel van je leven uitmaken.  Benut de kansen die je krijgt en dan is het leven toch een beetje maakbaar.

afbeelding018

Hans van den Bos